Toolbox: Kleine blusmiddelen
zaterdag 1 maart 2008
BLUSSTOFFEN
Om brand met succes te kunnen bestrijden staan ons een aantal blusstoffen ter beschikking.
We onderscheiden deze in:
- Natte blusstoffen, zoals: water, stoom en schuim;
- Droge blusstoffen, zoals: bluspoeder en zand;
- Gasvormige blusstoffen, zoals: koolzuurgas of koolzuursneeuw.
Natte blusstoffen
Water heeft een grote afkoelende werking en wordt in hoofdzaak gebruikt voor het blussen van hout, papier, karton, textiel en bepaalde kunststoffen.
Een voordeel is dat bij blussen met water stoom wordt gevormd.
Echter als nadeel werkt, dat bij onoordeelkundig gebruik de waterschade aanzienlijk is.
Stoom, hierbij berust de blussende werking op het verdringen van zuurstof. Deze blusstof wordt alleen toegepast in besloten ruimten.
Schuim heeft een grote afdekkende (smorende) werking. Het wordt in hoofdzaak gebruikt voor het blussen van vloeistofbranden.
De natte blusstoffen kunnen niet worden ingezet bij elektriciteitsbranden en bij het blussen van metaalbranden. Stoom, geleid over hete metaaldelen, kan aanleiding geven tot de vorming van knalgas.
Droge blusstoffen
Bluspoeder heeft een grote bluskracht, die berust op het zgn. antikatalytisch effect en in geringe mate op afdekkende werking. Een nadeel van bluspoeder is dat het overal indringt en een corrosief karakter heeft.
Zand heeft een goede afdekkende werking en ook enigermate een afkoelende werking.
Gasvormige blusmiddelen
Koolzuur (CO2) is zwaarder dan lucht, waardoor het een afdekkende werking heeft en de toetreding van lucht voorkomt. De bluskracht is redelijk groot, terwijl er geen blusschade wordt veroorzaakt. Bij het gebruik bij metaalbranden kunnen explosies optreden, door de reductie van loodzuur tot het zeer brandbare koolmonoxide. Koolzuurgas en koolzuursneeuw mogen nooit worden toegepast voor branden in besloten ruimten waar mensen aanwezig zijn.
BRANDBLUSMIDDELEN
Keuze van blusmiddelen en aanduiding van brandklassen.
Om bij een brand de juiste blusmiddelen te kunnen kiezen, heeft men de verschillende branden ingedeeld in klassen.
- Klasse A Branden van vaste stoffen van hoofdzakelijk organische oorsprong, die in het algemeen onder gloedvorming verbranden.
- Klasse B Branden van vloeibare of vloeibaar wordende stoffen.
- Klasse C Gasbranden.
- Klasse D Metaalbranden.
Een categorie die niet in deze klasse aanduiding is ondergebracht, vormen de elektriciteitsbranden. Dit zijn in feite klasse A-branden, waarvan de blussing extra gecompliceerd wordt door de aanwezigheid van een elektrische spanning.
In de meeste gevallen wordt als draagbaar blusmiddel de poederbrandblusser gebruikt. Hierna vindt u een aantal aandachtspunten, wanneer u gebruik moet maken van een poederbrandblusser.
- Aangezien vlammen en rook het blussen kunnen belemmeren en het poeder door de wind kan worden weggeblazen, is het zaak dat men altijd met de wind mee blust.
- Bij kleine branden moet men de blusser niet in een keer leegspuiten, maar korte stoten geven, waarbij men van beneden naar boven spuit.
- Bij grotere branden moet men gezamenlijk met meerdere blussers de brand bestrijden.
- Bij vloeistofbranden mag men nooit de volle straal in het midden van de vloeistof spuiten, maar beginnen met een heen en weer gaande beweging, laag over de brandende vloeistof heen.
- Na het blussen is het zaak dat men nog geruime tijd de plaats van de brand in de gaten houdt, om er zeker van te zijn dat de brand niet opnieuw begint. Zorg er dan ook voor dat er voldoende volle blussers gereed staan om opnieuw blussen mogelijk te maken.
