Aan de rand van het IJsselmeer, ter hoogte van de dijk tussen Urk en Lemmer, wordt op dit moment gebouwd aan het grootste windmolenpark van Nederland. Met maar liefst 86 windturbines met een gezamenlijke capaciteit van 1,4 miljard kWh per jaar levert dit park voldoende energie om alle huishoudens van Amsterdam én Utrecht jaarlijks van schone en duurzame elektriciteit te voorzien. Daarmee is het project een van de koplopers in de Europese windenergie. 

Met een tiphoogte van 198 meter behoren deze windturbines tot de grootste in hun soort. Reuzen waarvoor de grootste mobiele kraan ter wereld nodig is om ze in elkaar te zetten. Alleen al de gondel, waaraan de bladen zijn bevestigd, is 13 meter hoog, weegt zo’n 700 ton en hangt op 135 meter boven het maaiveld. Groot, groter, grootst.

Geen wonder dat Jan Verheij, projectdirecteur van NOP Agrowind, en Ruben Oosterga, veiligheidskundige van Arbo Support, best een beetje trots zijn op ‘hun’ project. “NOP Agrowind beheert en exploiteert hier straks 26 van de 38 landturbines, de overige molens staan in het IJsselmeer.” vertelt Jan Verheij. “Een dergelijk project vereist een zeer specifieke aanpak als het gaat om veiligheid en milieu en gelukkig vonden we in Ruben iemand die al ervaring had in de windenergie.”

Ruben: “Ik was eerder namens Arbo Support als veiligheidskundige betrokken bij het park Zuidlob van Nuon, dus dit project is bijna een logisch vervolg. Op een polderdijk zulke grote windturbines neerzetten is een bijna militaire operatie,” vervolgt hij. “Je moet je voorstellen, er zijn nog geen wegen die bijzonder zwaar transport aankunnen, je zit in een gebied waar je te maken hebt met heel veel fietsende scholieren, je hebt te maken met enkele kritische omwonenden en dan zijn er nog de trekvogels. Allemaal zwaarwegende factoren die ons beleid bepalen als het om HSE gaat. De molens worden gebouwd van betonnen ringen die zó groot zijn dat ze in segmenten moeten worden aangevoerd. De heipalen die eronder staan zijn 50 bij 50 centimeter en 25 tot 30 meter lang; ook weer enorm.”

Naast informatiebijeenkomsten voor omwonenden werd er in een vroeg stadium ook een speciaal project voor de basisscholen georganiseerd om leerlingen voor te lichten over het zware vrachtverkeer dat ze op weg konden gaan tegenkomen, met name over het gevaar van de ‘dode hoek’. Ook de transporteurs worden met nadruk gewezen op de extra risico’s bij het rijden over smalle polderweggetjes en er zijn speciale transportroutes ingesteld om die risico’s zo veel mogelijk te beperken.

Precies in de ‘elleboog’ van de dijk ligt de Rotterdamse Hoek, zo genoemd omdat vlak na de oorlog puin uit het platgebombardeerde Rotterdam gebruikt werd voor de dijkversterking. Nu is het een veilige corridor voor de vogels, waar geen windmolens staan en waar de vogelbewegingen permanent gemonitord worden. Ook dat behoort bij de taken van het HSE-team.

In totaal is er zo’n 300 man werkzaam op de site, verspreid over 30 locaties op zo’n twintig strekkende kilometer dijk. Dus: veel transport, veel zeer hoog hijswerk, een grote spreiding van activiteiten en risico’s met een extreem hoge impact. “Een hamer die op je voet valt doet zeer,” zegt Jan Verheij, “maar een hamer die van 135 meter hoogte omlaag komt is een dodelijk projectiel. Daar helpt zelfs geen helm tegen. Dat moet iedereen die hier werkt tussen zijn oren hebben. Onder deze omstandigheden kun je met geen enkel veiligheidsprotocol slordig omspringen!”. “Maar dat maakt het juist ook uitdagend!”, vult Ruben aan.