Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) maakt al vele jaren gebruik van het instrument certificatie om veilige arbeidsomstandigheden te borgen. Dit systeem werd tot nu toe volledig overgelaten aan private partijen. Het ministerie is inmiddels tot de conclusie gekomen, dat met dit private stelsel het beoogde doel onvoldoende wordt bereikt. Daarom gaat het stelsel op de schop. In plaats van alles over te laten aan de private partijen, gaat het ministerie zelf de regie in handen nemen. De Raad voor de Accreditatie zal daarbij namens de overheid als kwaliteitswaakhond optreden. Dit alles zal ook vergaande consequenties hebben voor de certificatie van veiligheidskundigen, arbeidshygiënisten en arbeids- en organisatiedeskundigen.

Er is natuurlijk niets mis met een systeem waarbij de kwaliteit van deskundigen, organisaties en systemen wordt bewaakt. De vraag hierbij is echter hoe ver hier mee te gaan. Daar waar vroeger misschien te veel werd vertrouwd op de ‘deskundigheid’ en de blauwe ogen van de experts, lijkt er nu een duidelijke overkill aan papieren kwaliteitsregels te ontstaan. Alles moet toetsbaar en aantoonbaar zijn en achter elke boom wordt een beer gezien. Of zoals een ervaren ‘deskundige’ me eens vertelde: ‘Aan de deskundigen worden extreme opleiding- en ervaringeisen gesteld en vervolgens moeten er ook procedures zijn die een aap met een hoge hoed kan uitvoeren’.

Een ieder zal het er over eens zijn, dat voor de borging van de kwaliteit van systemen, producten en deskundigen een eenduidige en systematische aanpak, zoals onder andere vastgelegd in ISO normen, van belang is. Dat voor de borging van de kwaliteit van deskundigen niet alleen de initiële beroepsopleiding van belang is, doch dat ook eisen aan werkervaring en bijscholing moeten worden gesteld, wordt algemeen onderschreven. Immers de tijd staat niet stil en steeds worden nieuwe inzichten verkregen. Echter, over de detaillering, breedte en diepgang van de voorschriften lopen de meningen uiteen.

Bij de opkomst van kwaliteitsborging in de tweede helft van de vorige eeuw lag de regie bij mensen uit de praktijk. Dit bracht een pragmatische aanpak met zich mee, waarbij men zich beperkte tot die zaken die werkelijk bijdragen aan het te bereiken doel. Inmiddels zijn er echter hele generaties van kwaliteitsborgers, certificeerders en accrediteurs opgegroeid die nooit met hun laarzen in de modder hebben gestaan. Ze hebben geen affiniteit kunnen opbouwen met de zaken die geborgd moeten worden. Hun levensdoel is het vinden van beren achter bomen. Kwaliteit is voor hen meer een doel op zich dat tot religie is verheven. Een vergelijking met de bemoeienis van de pastoor met het bedrijven van de liefde door gelovigen, dringt zich hier op.

Veelal kunnen de kwaliteitsreligieuzen bij bedrijven en certificerende instellingen nog wel in de hand worden gehouden, omdat marktmechanismen corrigerend werken. Anders ligt het bij ons Vaticaan van de kwaliteitsreligie, de monopolistische Raad voor de Accreditatie. Daar wordt de kwaliteitsreligie in de meest fundamentalistische vorm bedreven. Ik vrees dat deze waakhonden, niet geheel vrij van eigenbelang, in naam van het ministerie van SZW nog vele vergezochte beren zullen vinden. Het afschieten van deze beren en het voorkomen van het ontstaan van nieuwe (niet relevante) exemplaren zal veel energie, tijd en geld van alle betrokkenen vragen en zal nauwelijks bijdragen aan de veiligheid van de B.V. Nederland.

Ik hoop dat het ministerie van SZW niet doof zal zijn voor de roep vanuit het werkveld om een meer pragmatische aanpak. Het certificeren is geen doel, maar een middel. Ik wens de gecertificeerde veiligheidskundigen, arbeidshygiënisten en arbeids- en organisatiedeskundigen heel veel sterkte.

De column van Jan Kops (lector Industriële Veiligheid aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen)