We willen zo weinig mogelijk last van elkaar en in het bijzonder van de overheid hebben. Daarom is er een voortdurende roep om vermindering van regels. De politiek speelt hierop in met dereguleringsprogramma’s. Veelal houdt men hierbij anderen, maar ook zichzelf, voor de gek. Het samenvoegen van verschillende regeltjes in één regel wordt al gezien als deregulering, terwijl er in feite niets verandert. Een andere truc is het maken van ‘doelvoorschriften’ en de uitwerking hiervan overlaten aan het bedrijfsleven. Dan zijn het geen door de overheid opgelegde regels, maar regels die het bedrijfsleven zichzelf oplegt. Het resultaat is een woud van certificatiesystemen, normen, praktijkregels, convenanten, enzovoort. Hiermee wordt het er allemaal niet gemakkelijker op.

Als de overheid aan ziekenhuizen voorschrijft dat bedden op 1,5 m van elkaar moeten staan, dan is dat betuttelend. Dit moet aan het ziekenhuis zelf worden overlaten door de doelstelling te formuleren dat de inrichting een doelmatige zorg mogelijk moet maken. Het gevolg zal zijn dat het ziekenhuis, of de branche, met uitgebreide procedures komt, teneinde aantoonbaar de doelstelling te realiseren. Onderdeel daarvan zal toch de afstand tussen de bedden moeten zijn. Bij nader inzien zijn die betuttelende regeltjes misschien zo gek nog niet (zeg maar wat ik moet doen).

We willen minder regeltjes en als ze er toch zijn willen we er geen last van hebben. Maar als er iets fout gaat, roepen we om het hardst dat ‘het beter geregeld’ had moeten zijn. Getrouw reageert de overheid dan met meer regels en hoge budgetten voor toezicht en controles. Denk maar eens aan de uitgebreide regelgeving naar aanleiding van het legionella drama in Bovenkarspel. Na de ramp met de kernreactor in Tsjernobyl werd de ‘stralingsafdeling’ bij het RIVM meer dan verdubbeld. Enkele jaren later was alles weer vergeten en werd de ‘stralingsafdeling’ weer tot de oude omvang teruggebracht. Maar ach, een leger bereidt zich toch ook steeds voor op de vorige oorlog.

Regels moeten ook gehandhaafd worden. Vroeger was er nog wel eens de houding dat er een oogje dicht gedaan werd wanneer een regeltje in een bepaalde situatie niet zo relevant was. Deze houding, het gedogen, wordt nu verfoeid en onze handhavers zien zelfs de meest onbelangrijke details niet meer door de vingers. Ook is er na elke crisis, zoals nu met de kredietcrisis, de roep om meer handhaving. Lost dat iets op? De handhavingsfuncties bij de overheid bieden weinig carrièremogelijkheden en worden niet het beste betaald. De tegenspelers bij het bedrijfsleven zijn daarom veelal wat slimmer (de beste belastinginspecteurs gaan naar het bedrijfsleven). Het is een illusie te denken dat onze overheidshandhavers de slimmere tegenspelers bij het bedrijfsleven in toom kunnen houden.

Een belangrijk deel van de oplossing moet gezocht worden in verandering van de cultuur bij het bedrijfsleven en het bij de handhaving toezien op signalen die het niet naleven van regels bevorderen, zoals te ver gaand korte termijn winstbejag. Dit vraagt een slimmere manier van handhaven, maar past dit wel bij de traditionele handhavers van de overheid? Mogelijk levert de privatisering, zoals op diverse werkterreinen is ingevoerd, inventievere handhavers. Maar als ik dan kijk naar deze private handhavers, de Notified Bodies, en ik zie al die regels waaraan ze moeten voldoen, en al die instanties die opgericht zijn om die regels bij te houden, en al die belangengroepen die hierbij betrokken moeten worden, en al dat gecertificeer en geaccrediteer er omheen, en de bemoeienis van de overheid hierbij, dan denk ik wel eens: Het is er niet veiliger op geworden, maar waarschijnlijk wel duurder en in ieder geval veel complexer. Ook denk ik dan met weemoed aan het door velen in de vorige eeuw aangehangen KISS-concept: Keep It Simpel Stupid.

De column van Jan Kops (lector Industriële Veiligheid aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen)