In mijn vorige column berichtte ik over mijn vakantiereis naar Zuid Afrika. Op 12 mei, kort na het verschijnen van deze column, werd ik ’s morgens getroffen door het bericht dat er bij Tripoli een vliegtuigongeluk was gebeurd, waarbij mogelijk Nederlanders waren betrokken. Het bericht trof me zo, omdat mijn reis naar Zuid Afrika ook via Tripoli was gegaan. In de loop van de ochtend werd de berichtgeving gedetailleerder en werd het mij duidelijk dat zich aan boord een reisgezelschap bevond dat exact dezelfde reis had gemaakt als ik met mijn echtgenote. Ik kon me dus heel goed inbeelden hoe deze mensen zich voelden (hè hè, bijna in Tripoli, nog een stukje naar Düsseldorf en dan naar huis). Ook weet ik, dat de inzittenden via een videoschermpje en twee camera’s (één aan de voorkant en één aan de onderkant van het vliegtuig) de landing precies konden volgen en ineens een wel erg vreemde landingsbaan in beeld kregen. Ik weet ook precies wat een groot aantal slachtoffers de avond van tevoren had gedaan. Ik moet toegeven dat ik een aantal dagen flink van slag ben geweest alsof ik en mijn echtgenote door een toeval niet in het verongelukte vliegtuig zaten.

Bovenstaande illustreert dat de perceptie van een risico voornamelijk irrationeel is. Want natuurlijk was het geen toeval dat ik niet in dat vliegtuig van Afriqiyah Airways zat en doet het feit dat ik toevallig weet wat die mensen vooraf hebben gedaan of gezien iets af of toe aan de ernst van het ongeval. Waarom heb ik totaal niet stil gestaan bij en hebben veel Nederlanders zelfs geen weet meer van een nog erger vliegtuigongeval dat tien dagen later met een vliegtuig van Air India Express gebeurde, waarbij bijna 170 mensen om het leven kwamen. Blijkbaar is dus niet de kwantitatieve omvang van een ongeval of een risico bepalend voor de beleving hiervan, maar zijn er allerlei irrationele aspecten die deze beleving bepalen.

Deze zeer subjectieve en veelal irrationele risicobeleving steekt niet alleen de kop op bij grote ongevallen maar is onderdeel van ons aller dagelijkse leven. Ook de politiek en de overheid zijn er, als onderdeel van de maatschappij, mee behept. Zo moet de industrie voldoen aan vergaande ARBO maatregelen, moeten er gecertificeerde veiligheidskundigen zijn, moeten medewerkers veiligheidskundig worden opgeleid en moet men beschikken over een zo mogelijk gecertificeerd veiligheidsbeheersysteem. Dit alles, terwijl er in Nederland momenteel gemiddeld 125 mensen per jaar door een ongeval op de werkplek om het leven komen tegen 2.200 per jaar door ongelukken thuis. Is het niet rationeler om ons te richten op de invoering van een veiligheidscertificaat voor de huisvrouw en huisman. Geen politieke partij heeft dit ‘rationele’ idee bij de laatste verkiezingen geopperd. Ze zouden ook als idioten zijn weggehoond, want het gaat immers niet om wat het risico is, maar om wat het lijkt.

Het is van groot belang dat veiligheidskundigen en arbeidshygiënisten zich altijd bewust zijn van het subjectieve risicobeleven van mensen, waarbij onderzoek heeft uitgewezen dat factoren als bekendheid met en de mate van vrijwilligheid van het risico van groot belang zijn. Het alleen inspelen op de ratio is tot mislukken gedoemd. Zo heeft de kernenergie industrie jarenlang gewezen op de bereikte geweldige veiligheidsniveaus waardoor de kans op een ongeluk nog maar eens in de honderdduizend jaar was. Tegenstanders konden dit simpel onderuit halen door te stellen dat het ongeluk dus ook morgen kon gebeuren. Een effectieve communicatie vraagt dat men zich verplaatst in de beleving van de ander. Want iedereen beleeft risico’s irrationeel, de medewerker maar ook de directeur, de buren, de veiligheidskundige en arbeidshygiënist, en met veel moeite moet ik nu toegeven, zelfs ik.

De column van Jan Kops (lector Industriële Veiligheid aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen)