Vroeger werkte Huib Arts bij een arbodienst. En toen lieten hij en zijn collega-arbeidshygiënisten zich wel eens cynisch uit over de RI&E. ‘De vaste grap was dat een arboadviseur bij zijn rondgang altijd uitkwam op 50 verbeterpunten’, zegt hij nu. ‘Want anders suggereerde hij zelf dat zijn onderzoek niet deugde. En dan kon hij geen rekening sturen.’

 

Handig van die adviseur, maar niet prettig voor de werkgevers. Want volgens Arts zien veel van hen de RI&E nu als een negatieve verplichting. ‘Denk je eens in: je hebt het als werkgever goed voor elkaar. Maar vanwege die rigiditeit krijg je toch 50 punten aan je broek. Bijvoorbeeld dat de brandblussers over de datum zijn, of dat de instructie niet netjes op de machine is aangebracht. Vind je het dan gek dat die werkgevers zich niet in hun RI&E herkennen?’

 

Wat?
En volgens Arts zit het eigenlijke probleem nog dieper. Adviseurs stellen volgens hem de verkeerde vraag, de wat-vraag. ‘Ze brengen in kaart wat de risico’s zijn, maar die zijn al lang bekend. Een werkgever in de petrochemische industrie weet heus wel dat de boel in brand kan vliegen. En als je in een timmermanswerkplaats geen houtstof produceert, heb je een nog groter probleem: dan wordt er namelijk niet gewerkt. Het is vragen naar de bekende weg.’

 

Hoe?
Bovengenoemd timmerbedrijf is volgens Arts meer gebaat bij de hoe-vraag. ‘Hoe heeft de werkgever het houtstofprobleem getackeld? Door pbm’s of door gerichte afzuiging? Dat is een totaal andere vraagstelling.’

 

En die vraagstelling biedt volgens hem 2 voordelen:

 

  • Ten eerste helpt hij om werkgevers gunstiger te stemmen, want de RI&E legt niet langer de nadruk op omissies. Er staat namelijk ook in welke zaken wel zijn aangepakt;
  • De RI&E duikt ook meer de diepte in. ‘Je noteert niet alleen of er pbm’s worden ingezet, maar ook of die worden gebruikt’, zegt Arts. ‘En als dat niet het geval is, leg je vast waar dat aan ligt. Door een gebrek aan voorlichting misschien, of doordat de oordoppen gewoon niet lekker zitten.’

 

Als Arts zijn zin krijgt, betekent dat het einde van de lange lijst met 50 pietluttigheden. Maakt hij zichzelf en zijn collega’s zo niet brodeloos? Hij is er niet bang voor. ‘Er valt altijd nog wat te verbeteren, ook bij voorbeeldbedrijven. Die kunnen zich richten op bronmaatregelen, in plaats van op pbm’s. Of ze kunnen hun veiligheidsbeleid beter laten aansluiten op de arbocatalogus.’

 

Adviseur
Wel waarschuwt hij dat de rol van de adviseur verandert. ‘Niet langer blijft die rondlopen tot hij de laatste brandblusser heeft ontdekt die niet goed is opgehangen. In de toekomst denkt hij bijvoorbeeld mee over de implementatie van beheersmaatregelen.’