De belangrijkste resultaten die uit het onderzoek naar voren komen, zijn:

  • Binnen de bk groep is het mogelijk dat vrouwen in aanraking komen met risico’s die een gevaar voor de gezondheid opleveren voor de medewerkster zelf, het ongeboren kind of de zuigeling.
  • Over het algemeen ontvangen medewerksters geen voorlichting over het zwangerschapsbeleid binnen de bk groep, alsmede de risico’s die zij tijdens werkzaamheden kunnen tegenkomen die een gevaar voor de gezondheid opleveren voor de medewerkster zelf, het ongeboren kind of de zuigeling.
  • Er is geen geschikte rust- en kolfruimte aanwezig binnen het pand van de bk groep.
  • Binnen de bk groep heerst een informele structuur, extra begeleiding is er voornamelijk vanuit collegialiteit maar er is geen bk-brede procedure hoe de begeleiding van een medewerkster dient te zijn.

De belangrijkste aanbevelingen zijn:

  • Zet een procedure op wie welk voorlichtingsmoment moet geven en binnen welk termijn dit dient te gebeuren. Tevens is het aan te bevelen in de procedure vast te leggen welke (in)formele contactmomenten er moeten zijn (zie aanbeveling voorzieningen prio b3). Door middel van een gedegen voorlichting kan men de risico’s aan de bron wegnemen en er voor zorgen dat medewerksters niet meer (on)bewust worden blootgesteld aan deze risico’s.
  • Indien een medewerkster aangeeft zwanger te zijn of wil kolven na haar zwangerschap, kan de kleedruimte van de bk groep zo geprepareerd worden dat deze aan de eisen voldoet als rust- en kolfruimte. Hier zijn sanitaire voorzieningen aanwezig en er is ruimte voor een bed of meubilair. Wel dient er verwarming (elektrisch) aangebracht te worden op het moment van gebruik en dient de ruimte afsluitbaar gemaakt te worden. Ook behoeft de schoonmaak (hygiëne) enige aandacht.
  • In de CROW 132 is aangegeven dat een zwangere medewerkster of medewerkster in lactatieperiode niet in de verontreinigde zone mag komen. Echter, er zijn maar bepaalde stoffen die extra risico’s (dus voor het ongeboren kind of zuigeling) met zich meebrengen. Na het vaststellen van de verontreiniging kan in overleg met een bedrijfsarts besloten worden of het risico’s met zich meebrengt dat een medewerkster zich wel in de verontreinigde zone bevindt.
  • In overleg met een bedrijfsarts en op basis van de aanwezige gegevens van mogelijk aanwezige (gevaarlijke) stoffen in de gas/damp/rook kan worden vastgesteld of de medewerkster de werkzaamheden kan uitvoeren.
  • Het is aan te bevelen niet alleen naar de geluidbelasting van de medewerkster te kijken (deze kan immers zichzelf beschermen) maar ook naar de geluidbelasting van het ongeboren kind. In overleg met een bedrijfsarts kan worden vastgesteld of het verantwoord is dat een medewerkster de werkzaamheden uitvoert. Houdt hierbij ook rekening met werkzaamheden op bijvoorbeeld bouwplaatsen waar vaak piekbelastingen voorkomen.

De eindscriptie op MVK-niveau is geschreven door Annemieke Bantema MVK/adviseur arbo&veiligheid.

De scriptie is via http://www.copla.nl/veiligheidskundigen/veiligheidskundigenweb opvraagbaar.