Ik ben net terug van een heerlijke vakantiereis door Zuid Afrika. Naast bewondering voor de prachtige natuur, was ik totaal verrast door het prima wegennet met ‘state of the art‘ verkeersvoorzieningen. Ook viel me op dat de staat van het wagenpark zeker niet onderdoet voor het onze. Voeg daarbij het strengere toezicht in Zuid Afrika (overal zag je verkeerspolitie en gedurende de twee weken van mijn verblijf zijn we drie keer gecontroleerd, terwijl ik in Nederland nog nooit gecontroleerd ben), dan lijkt toch aan alle randvoorwaarden voldaan voor minimaal een gelijke verkeersveiligheid als in Nederland. Echter, in die twee weken heb ik zes verkeersongevallen gezien, waarvan twee zeer ernstig. In Nederland zie ik eigenlijk nooit een ongeluk. Op basis van deze zeer beperkte statistiek, moet ik constateren dat in Zuid Afrika, ondanks vergelijkbare omstandigheden, er blijkbaar nog veel strengere maatregelen nodig zijn dan in Nederland om een vergelijkbare verkeersveiligheid te realiseren. Dit, door een blijkbaar beperkt veiligheidsbewustzijn van, in ieder geval, een deel van de weggebruikers in Zuid Afrika.

Bovenstaande constateringen deden mijn gedachten doen uitgaan naar een omvangrijk proces dat op veiligheidsgebied door het ministerie van SZW in gang is gezet, de zogenaamde stelselwijziging. Hiermee wordt beoogd om voor een groot aantal werkvelden waar arbeidsveiligheid aan de orde is (zoals drukapparatuur, liften, verticaal transport, springmeesters en asbestverwerking) een uniform geprivatiseerd systeem van kwaliteitscriteria te realiseren. Deze criteria hebben onder andere betrekking op de eisen die gesteld worden aan gecertificeerde deskundigen, zoals veiligheidskundigen en arbeidshygiënisten. Het proces loopt al meer dan vijf jaar en kosten noch moeite zijn gespaard om workshops te organiseren en stichtingen op te richten, die de ‘criteria’ per werkveld moeten gaan beheren. Zeer dure organisatieadviesbureaus zijn ingehuurd om de overheid bij dit proces te ondersteunen. Vele miljoenen zijn intussen gespendeerd en de twijfel over het nut van dit alles en de ergernis over de gang van zaken nemen als maar toe.

Waarom moeten allerlei al bestaande systemen, zoals het certificatiesysteem van veiligheidskundigen, nu op de schop? Wat was er verkeerd? Wanneer je dit bij de verantwoordelijke overheidsdienaren ter sprake brengt, krijg je vage antwoorden. Ze geven aan dat men voor alle werkvelden een gelijk systeem wil, ten minste voor arbeidsveiligheid, want milieu valt onder een ander ministerie met andere denkbeelden. Dit streven naar gelijke werkwijze voor een variëteit aan werkvelden duidt mijns inziens op een ‘naar rechts richten syndroom’. De ouderen onder ons, die in militaire dienst geweest zijn, weten nog wel dat dit naar ‘rechts richten’ een ritueel was waarbij aangetreden manschappen, op bevel, met uitgestoken armen naar elkaar toe dribbelden, zodat ze allemaal op exact één armlengte van elkaar kwamen te staan. Het diende geen enkel militair doel, maar voor de beroepsmilitairen was het een genotsmiddel.

Een ander argument is, dat er in de ‘asbestwereld’ veel fout gaat. Men gaat er hierbij simpel aan voorbij dat er in die andere werelden niet zo veel fout ging en dat daar dus blijkbaar minder vergaande veranderingen nodig zijn (zie het voorbeeld van de verkeersveiligheid in Zuid Afrika). Ik denk dat helaas het ‘point of no return’ is gepasseerd en de certificatie van onder andere veiligheidskundigen zal worden aangepast. Het heeft een hoop geld gekost en dus wordt het anders. De aanstaande bezuinigingen zullen hopelijk een meer pragmatische aanpak nodig maken, waarbij de verscheidenheid van werkvelden wordt gerespecteerd en er alleen iets wordt veranderd wanneer er een probleem is. Dus ook dit nadeel ‘heb’ zijn voordeel.

De column van Jan Kops (lector Industriële Veiligheid aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen)