Elektriciteit is zo’n alledaagse voorziening dat we er nauwelijks nog bij stilstaan. Elektriciteit heeft vele nuttige, voor ons onmisbare, toepassingen. Er zijn echter ook grote risico’s verbonden aan elektriciteit. In deze toolbox komen de risico’s en veiligheidsmaatregelen bij laagspanningsinstallaties aan bod.

ELEKTRICITEIT OP DE WERKPLEK
Op de werkplek komen verschillende mensen in aanraking met elektriciteit:

  • In principe alle medewerkers wanneer zij met elektrische apparatuur werken.
  • Monteurs wanneer zij onderhoud uitvoeren of storingen opsporen en verhelpen aan elektrische installaties (elektrotechnische werkzaamheden).

Hieronder worden de risico’s en te nemen veiligheidsmaatregelen van beide groepen besproken. Het gaat hierbij om laagspanningsinstallaties (< 1000 V).

Risico’s van elektriciteit
De belangrijkste risico’s van elektriciteit zijn:

  • Stroom door het lichaam door het aanraken van draden of apparaten die onder spanning staan. Dit is bij een hoge stroomsterkte dodelijk;
  • Ontstaan van een vlamboog door het maken van kortsluiting die kan leiden tot ernstige brandwonden;
    Gebruikers van elektrische apparaten kunnen door defecten in deze apparaten onder stroom komen te staan. Medewerkers die werken aan elektrische installaties kunnen met beide genoemde risico’s te maken krijgen.

Veiligheidseisen elektrische installatie
Voor een veilige elektrotechnische bedrijfsvoering zijn in de Arbowetgeving en diverse normen eisen gesteld aan elektrische installaties en apparaten. Het gaat hierbij om de vast aangesloten elektrische installatie, vast aangesloten machines en verplaatsbare elektrische apparatuur. De eisen zijn o.a.:

  • Veilig ontwerp;
  • Afscherming van spanning voerende delen;
  • Periodiek onderhoud van de elektrische installatie en verplaatsbare elektrische apparatuur;
  • Beschikbaarheid van actuele schema’s van de elektrische installatie;
  • Toepassen van vergrendelbare werkschakelaars en de juiste beschermingsgraad;
  • Toepassen van dubbele isolatie en automatische afschakelbeveiligingen;
  • Vergrendelen van gevaarlijke plaatsen en gevaren aangeven met borden.

Veilig uitvoeren van elektrotechnische werkzaamheden
Werken aan de elektrische installatie mag alleen plaatsvinden wanneer de installatie (in elk geval het deel waar aan gewerkt wordt) spanningsloos is gemaakt. Vereisten hiervoor zijn:

  • Volledig scheiden;
  • Beveiligen tegen weder inschakelen;
  • Controleren of de installatie spanningsloos is;
  • Zo nodig zorgen voor aarding en kortsluiting;
  • Zorgen voor bescherming van naastliggende actieve delen.

In de praktijk is spanningsloos werken niet altijd mogelijk. Voor het opsporen van een storing is het vaak noodzakelijk dat de installatie in bedrijf is. Bij deze werkzaamheden zijn de risico’s erg hoog. Het onder spanning werken aan een elektrische installatie mag alleen als is aangetoond dat dit dringend noodzakelijk is en als op basis van een taakrisicoanalyse voldoende aanvullende veiligheidsmaatregelen zijn genomen.

Voldoende deskundigheid
In een bedrijf moeten duidelijk afspraken worden gemaakt over de personen die bevoegd zijn om te werken aan de elektrische installatie. Zij moeten voldoende opgeleid zijn en voldoende voorzorgsmaatregelen nemen. De volgende personen moeten worden aangewezen:

  • Installatie verantwoordelijke verantwoordelijk voor de elektrotechnische bedrijfsvoering;
  • Werkverantwoordelijke verantwoordelijk voor elektrotechnische werkzaamheden;
  • Vakbekwaam persoon (VP) die de risico’s van elektrotechnische werkzaamheden kan inschatten;
  • Voldoende Onderricht persoon (VOP) die na instructie van de VP elektrotechnische werkzaamheden van beperkte omvang kan uitvoeren.
  • Verder moeten alle medewerkers die werken met elektrische apparatuur voorgelicht worden over de gevaren van elektriciteit en veilige werkmethoden.

Veilig werken met elektrische apparatuur
Voor het veilig werken met elektrische apparatuur zijn de volgende maatregelen nodig:

  • Voorkomen van overbelasting van elektriciteitssnoeren en –leidingen door kabelhaspels geheel af te rollen;
  • Voorkomen van beschadigingen van elektriciteitssnoeren en –leidingen door deze van de vloer af te hangen (let extra op in ruimtes met vervoermiddelen);
  • Zorgen voor goede aarding;
  • Verdeelkasten zo dicht als mogelijk bij het voedingspunt zetten en laagspanningskabels gebruiken naar de werkplek (daarbij beschadigingen aan de kabels voorkomen);
  • Visuele inspectie van elektrische apparatuur, leidingen en kabels voorafgaand aan elk gebruik;
  • Gebreken aan elektrische apparatuur, leidingen of kabels zoals defecte isolatie direct melden en (laten) verhelpen. Beschadigde apparatuur niet gebruiken;
  • Extra voorzorgsmaatregelen voor het voorkomen van statische elektriciteit of kortsluiting in omgevingen met explosiegevaar;
  • In vochtige ruimten en besloten ruimten bij voorkeur lucht aangedreven gereedschap gebruiken of gereedschap met een veilige spanning (gelijkspanning maximaal 120 V of wisselspanning maximaal 50 V);
  • Afschermen van schakel- en stoppenkasten;
  • Zorgen dat ruimten met elektrische delen uitsluitend toegankelijk zijn door daartoe bevoegde medewerkers;
  • Beveiligingen in schakelkasten nooit overbruggen!
  • Waar nodig dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen gericht op isolatie en vlambogen (b.v. isolatiematten, mes patroon trekker met handschoen en een helm met een beschermende kap).

Bronnen:
Arbowet art. 3, 5, 8, Arbobesluit art. 3.1, 3.2, 3.4, 3.5
Basisinspectiemodule Elektrische installaties en werkzaamheden
Arboportaal Elektriciteit
Arbo-Informatieblad 54: Elektrische veiligheid
NEN 1010 Elektrische installaties voor laagspanning
NEN-EN 50110 Bedrijfsvoering van elektrische installaties
NEN 3140 Bedrijfsvoering van elektrische installaties – laagspanning

Arbo Support kan u ondersteunen bij het inrichten van uw elektrotechnische bedrijfsvoering!

Bekijk & download productblad