JURISPRUDENTIE – De zorgplicht van werkgevers richt zich primair op werknemers die bij hem in dienst zijn. Daarnaast rekt artikel 7:658 BW deze zorgplicht in bepaalde situaties verder op. Een voor de praktijk belangrijke vraag is hoe het zit met vrijwilligers die vaak onbetaald of tegen geringe betaling in loon of natura bepaalde werkzaamheden verrichten. Kan een werkgever aansprakelijk worden gesteld bij een arbeidsongeval dat een vrijwilliger overkomt?

Deze vraag kwam laatst aan de orde bij het Hof Amsterdam. Het betrof een vrouw die sinds 2004 deel uitmaakt van het vierspanteam van de eigenaar van manege X. De dame ontving voor de werkzaamheden die zij voor het vierspanteam verrichtte geen betaling. Wel mocht zij als tegenprestatie voor deze werkzaamheden en de wekelijkse klusjes die zij op de manege verrichtte, tegen een gereduceerd tarief gebruikmaken van een paard dat eigendom was van X. De vrouw staat bekend als een uitstekend amazone. Op 8 januari 2008 heeft X de vrouw gevraagd of zij een paard dat die dag was aangekomen, wilde testen op geschiktheid voor het vierspanteam. Van het paard was bekend dat het moeite had met laten opstappen van een ruiter. Het paard is vervolgens tegen het hek van de buitenbak aangelopen en heeft de vrouw van zich afgeworpen waaraan zij blijvend letsel heeft overgehouden.

De vrouw stelt X onder andere aansprakelijk op grond van 7:658 lid 4 BW, waarin is bepaald dat degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk is voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. X stelt dat de vrouw, ook als ervan wordt uitgegaan dat een vrijwilliger bescherming kan ontlenen aan art. 7:658 lid 4 BW, zich niet met succes op deze wetsbepaling kan beroepen. De vrouw verrichtte in de manege slechts incidenteel vrijwilligerswerk bij wijze van hobby en als sportbeoefening, zonder daarvoor betaling te ontvangen. Het stond de vrouw vrij om de werkzaamheden wel of niet te verrichten.

De rechter denkt er evenwel anders over en merkt op dat de vrouw onbestreden heeft gesteld dat het testen van nieuwe paarden behoort tot de werkzaamheden die op de manege werden uitgevoerd door personeel dat wel een arbeidsovereenkomst met X heeft. Tegenover de uiteenzetting van de aard en de omvang van de door de vrouw in de manege verrichte werkzaamheden heeft X onvoldoende gesteld om aan te nemen dat deze incidenteel van aard waren. Dat de vrouw van dit vrijwilligerswerk haar hobby maakte en daarvoor geen directe geldelijke beloning ontving – met dien verstande dat zij tegen gereduceerd tarief gebruik mocht maken van een paard dat eigendom was van de manege – vormt, gelet op de strekking van art. 7:658 lid 4 BW, geen reden om haar de bescherming van deze wetsbepaling te onthouden.

Bovenstaande uitspraak illustreert eens te meer hoe belangrijk het is om het arbeidsomstandighedenbeleid ook actief uit te voeren ten opzichte van vrijwilligers. Deze actieve opstelling geldt met name wat betreft de arbovoorlichting die aan vrijwilligers moet worden gegeven. Daarnaast kan het zo zijn dat het simpelweg beter is om bepaalde werkzaamheden juist niet uit te laten voeren door vrijwilligers, nu deze met bepaalde werkzaamheden minder ervaring hebben en er hogere risico’s kunnen bestaan voor ongevallen.