Onlangs zag ik op de televisie een programma met de naam ‘smaakpolitie’ of zoiets. In dit programma bezoekt een reporter een eetgelegenheid en inspecteert deze uitvoerig op ‘hygiëne’. Hierbij worden zowel fysieke als procedurele aspecten uitvoerig onder de loep genomen. In de betreffende uitzending werd een lunchroom bezocht. De aanwezige medewerkster zei tegen de reporter dat hij zijn gang kon gaan. Echter, even later kwam de eigenaar opdagen en hij gaf te kennen de hele inspectie niet te zien zitten, doch hij hield de reporter niet tegen.

Hoewel deze weigerachtige houding het ergste deed vrezen, constateerde de reporter met toenemende verbazing dat alles prima in orde was. Vanzelfsprekend werd aan het eind aan de eigenaar gevraagd waarom hij zo’n weigerachtige houding had aangenomen. Het antwoord was dat hij de ‘hygiëne’ in zijn bedrijf zeer belangrijk vond en dat hij er alles aan deed om dit goed op orde te hebben. Hij werd echter sterk gedemotiveerd door inspecties door de Keuringsdienst van Waren. Hierbij werd altijd wel iets gevonden en vervolgens opgevolgd door een dwangbevel of zelfs een proces verbaal.

Dit verhaal past goed bij mijn eigen ervaringen en signalen die ik uit de praktijk ontvang. Blijkbaar is het inspecteurs niet primair te doen om vast te stellen of een bedrijf zijn zaken op orde heeft. Neen, men wil blijkbaar scoren en men zal iets vinden. Natuurlijk is er altijd iets, bijvoorbeeld een administratief detail, te vinden. Ook is mijn persoonlijke ervaring dat men in de zucht tot scoren soms een toevlucht neemt tot fundamentalistische interpretaties van de regelgeving. Het is zeer twijfelachtig of deze scoringsdrift bijdraagt aan een veiliger arbeidsklimaat in Nederland. De inspanningbesteed aan het boven tafel halen van futiliteiten zou veel effectiever elders ingezet kunnen worden. ‘Goed’ zou ‘Goed genoeg’ moeten zijn.

Werkt het gekissebis over futiliteiten al niet erg motiverend, mogelijk geldt dit nog meer voor de wijze waarop één en ander administratief afgehandeld wordt. Veelal gebeurt dit door een brief op poten aan de directie waarin de indruk gewekt wordt dat een puinhoop is aangetroffen,die op korte termijn opgeruimd moet worden. Voor de verantwoordelijke veiligheidskundige of KAM-manager, wordt dit ervaren als een onterechte smet op zijn of haar blazoen. Dit draagt uiteraard niet bij aan een goede communicatie tussen het werkveld en de inspectiediensten. Je zou het kunnen vergelijken met een situatie waarbij je zoon of dochter een proefwerk wiskunde heeft gedaan. Hij of zij heeft haar uiterste best gedaan en heeft 9 van de 10 sommen goed en daarmee een 9 gehaald. Hoe zou het nu werken als u een brief van de school krijgt met alleen de mededeling dat uw zoon of dochter van één opgave totaal niets heeft gebakken? Zou het opvoedkundige en educatieve proces hierbij gebaat zijn?

Niet alleen overheidsinspecties maar ook interne veiligheidsdiensten zijn vaak behept met het scoringsdrift-virus. Ik kan me nog een voorval herinneren uit de tijd dat ik manager was van een business unit was. Ik vond dat het geluidsniveau bij een proefneming die in mijn unit werd uitgevoerd aan de hoge kant en haalde voor advies de ARBO-dienst erbij. Weken later kreeg ik een kopie van een ‘notitie op poten’ aan mijn directie met de mededeling dat men bij werkzaamheden in mijn unit een veel te hoog geluidsniveau had vastgesteld en dat er direct iets moest gebeuren. Over hoe dat moest gebeuren (waarom ik had gevraagd) werd niets gezegd. Deze zucht tot scoren bij niet direct aan het productieproces bijdragende diensten (zowel intern als bij de overheid) is onplezierig en inefficiënt maar wel begrijpelijk. Immers wanneer men niet scoort, dan wordt men niet gezien en wanneer men niet wordt gezien dan is men niet nodig of kan het in ieder geval minder. Het gevoel dan wegbezuinigd te worden bevordert dus onbedoeld inefficiënt gedrag.

Bij het schrijven van deze column kreeg ik een persbericht van de Arbeidsinspectie onder ogen. Ze hebben vastgesteld dat er veel schort aan de arbeidsveiligheid in de transportmiddelensector (producenten van fietsen, auto’s en onderdelen). Zou dit nu waar zijn, of… ?

De column van Jan Kops (lector Industriële Veiligheid aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen)